COLUMN | ‘Zelfs als burgemeester gaat het niet om wie je bent, maar wie je kent binnen de huidige Rechtsstaat’

Wanneer beeldvorming belangrijker wordt dan het recht: Pechtold werd voor de tweede keer burgemeester dankzij falend OM en Schuiling werd burgemeester-af door falend OM

Haje Derksen avatar

opiniemaker

Een rechtsstaat hoort eenvoudig te werken. Niet de naam, de partij, het netwerk of de publieke status van een persoon zou bepalend moeten zijn, maar het bewijs, de wet en een onafhankelijke beoordeling daarvan.

Toch ontstaat steeds vaker de ongemakkelijke indruk dat in Nederland naast het recht een andere werkelijkheid bestaat: die van beeldvorming, politieke afkomst en bestuurlijke netwerken.

Neem Alexander Pechtold. In 2018 ontstond rond hem een grote politieke affaire over een appartement dat hij van een Canadese oud-diplomaat had gekregen. Er kwamen ruim tweehonderd aangiften binnen en de procureur-generaal onderzocht onder meer de vraag of sprake kon zijn van ambtelijke omkoping. Uiteindelijk werd geconcludeerd dat er geen serieuze aanleiding was om te vermoeden dat Pechtold zich door de schenking had laten beĆÆnvloeden.

Enkele jaren later staat dezelfde Pechtold opnieuw op het hoogste lokale bestuurlijke podium. In september 2025 werd hij beƫdigd als burgemeester van Delft. Het was bovendien zijn tweede burgemeesterschap: eerder was hij burgemeester van Wageningen. De Delftse vertrouwenscommissie prees hem onder meer om zijn ruime politieke en bestuurlijke ervaring en zijn landelijke netwerk.

Daar tegenover staat Koen Schuiling.

Een burgemeester met een lange bestuurlijke staat van dienst ziet zijn loopbaan eindigen nadat één melding van een vrachtwagenchauffeur uitgroeit tot een strafzaak. Het OM achtte diens verklaring betrouwbaar. Schuiling ontkent de beschuldiging en stelt dat zijn handelen verkeerd is geïnterpreteerd. Zijn hoger beroep is nog niet afgerond; het gerechtshof heeft zelfs nader onderzoek naar de melder bevolen.

Daarmee dringt zich een ongemakkelijke vraag op.

Hoe kan het dat iemand die ooit onderwerp was van een onderzoek naar mogelijke ambtelijke omkoping later opnieuw tot burgemeester wordt benoemd, terwijl een andere burgemeester zijn ambtsketen verliest nadat ƩƩn getuigenverklaring de basis is geworden van een strafzaak die nog altijd niet definitief is beslecht?

Het gaat daarbij niet om de vraag of Pechtold schuldig is — dat is hij volgens het onderzoek niet bevonden — of Schuiling schuldig is — dat moet uiteindelijk door de rechter worden vastgesteld. Het gaat om iets fundamentelers: de vraag of dezelfde rechtsstatelijke maatstaven consequent worden toegepast.

Want als politieke afkomst, reputatie, netwerk en beeldvorming invloed krijgen op de wijze waarop aangiften, onderzoeken en bestuurlijke gevolgen worden behandeld, ontstaat een gevaarlijke situatie.

Dan dreigt de rechtsstaat niet langer uitsluitend te draaien om de vraag: wat is er bewezen?

Dan wordt de vraag misschien steeds vaker: wie bent u, wie kent u en welk beeld bestaat er over u?

Dat is precies het punt waarop iedere democratische samenleving buitengewoon waakzaam moet worden.

Een rechtsstaat behoort geen systeem te zijn waarin de ene bestuurder dankzij zijn netwerk en politieke verleden opnieuw een ambtsketen krijgt, terwijl de andere bestuurder door een nog niet definitief beslechte strafzaak zijn ambtsketen kwijtraakt.

Niet omdat Pechtold per definitie anders behandeld zou zijn.

Niet omdat Schuiling per definitie gelijk zou hebben.

Maar omdat gelijke gevallen gelijk moeten worden beoordeeld en ongelijke gevallen aantoonbaar ongelijk.

De echte vraag is daarom niet wie wij sympathiek vinden. De echte vraag is of het Nederlandse staatsbestel nog voldoende kan uitleggen waarom het in het ene geval zus en in het andere geval zo handelt.

Want zodra burgers het gevoel krijgen dat recht afhankelijk wordt van politieke afkomst en beeldvorming, verdwijnt iets dat veel belangrijker is dan ƩƩn ambtsketen:

het vertrouwen dat de rechtsstaat voor iedereen hetzelfde werkt.