De recente onthullingen van de Algemene Rekenkamer over het functioneren van de politie werpen een nieuwe en ongemakkelijke vraag op: wat is er eigenlijk gebeurd met de meerdere aangiften wegens vermeende ernstige ambtsmisdrijven, laster, smaad en meineed tegen voormalig CBR-directeur Alexander Pechtold?
Die vraag is relevanter dan ooit. De Algemene Rekenkamer concludeerde dat in 2024 ruim 10.000 aangiften van ernstige misdrijven niet werden behandeld. Ongeveer 7.000 aangiften werden volgens de Rekenkamer bij voorbaat afgewezen en circa 3.000 onderzoeken werden voortijdig beƫindigd wegens capaciteitstekort bij politie en/of OM. Algemene Rekenkamer
Het onderwerp leidde vervolgens tot een stevig debat in de Tweede Kamer. De Kamer nam onder meer een motie aan om niet-behandelde aangiften opnieuw te laten beoordelen en in behandeling te nemen. Tweede Kamer
Tegen die achtergrond dringt zich een concrete casus op. Volgens eerdere publicaties op Onrecht hebben er de afgelopen jaren meerdere aangiften gelegen tegen voormalig CBR-directeur en oud-D66-leider Alexander Pechtold. Volgens de betrokken aangever werd ondanks herhaalde aangiften geen serieus strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Het OM wees hem uiteindelijk op de mogelijkheid om via een artikel 12-procedure alsnog vervolging af te dwingen.
Maar waarom moest een burger jarenlang wachten voordat hem die route werd gewezen?
Dat is des te opmerkelijker omdat Onrecht eerder uitgebreid heeft geschreven over de ogenschijnlijk ongelijke behandeling van zaken. Daarbij werd onder meer de vervolging van voormalig burgemeester van Groningen Koen Schuiling tegenover de behandeling van de aangiften tegen Pechtold geplaatst. In de zaak-Schuiling vormde ƩƩn verklaring van een vrachtwagenchauffeur een belangrijke basis voor strafvervolging; het OM achtte die verklaring betrouwbaar.
Dit betekent uiteraard niet dat beide zaken juridisch hetzelfde zijn. Evenmin bewijst het dat Pechtold bescherming geniet. Maar het verschil in behandeling roept wel vragen op die politie en OM zouden moeten kunnen beantwoorden.
Want als duizenden aangiften blijven liggen, wordt het des te belangrijker dat duidelijk is welke aangiften wƩl worden onderzocht, welke niet en waarom.
Juist daarom is de vraag gerechtvaardigd of de aangiften tegen Pechtold daadwerkelijk inhoudelijk zijn beoordeeld, of dat zij ergens binnen de keten van politie en OM zijn blijven steken.
De indruk dat een voormalig D66-partijleider bescherming zou genieten vanuit de top van politie of OM mag niet als feit worden gepresenteerd. Maar wanneer die indruk bij burgers ontstaat, is het aan de overheid om die twijfel weg te nemen.
De rechtsstaat kan immers niet functioneren wanneer niet alleen de vraag of iemand aangifte kan doen centraal staat, maar vooral de vraag wie vervolgens serieus wordt genomen.
